skip to Main Content
Menu

Dit jaar is onze regio zestig jaar bevrijd. Zoals vorige week aangekondigd wordt in DE LOOP van de komende weken teruggekeken op de 2e W.O. en de bevrijding van september 1944. Natuurlijk is er nogal wat fotomateriaal en andere documentatie voor handen, maar met de hulp van bewoners,  hobbyisten, verzamelaars en andere betrokkenen  uit deze omgeving wordt deze serie natuurlijk nog interessanter. 
In dit deel lees je de eerste bijdrage afkomstig van Oud Mierlo-Houtenaar Jan Coolen, 65 jaar en woonachtig in Eindhoven sinds 1975.

Met veel van de moedige soldaat bevrijders van 1944 heb ik al jarenlang een intensief contact. Ik stuur elke dag wel enige emails of brieven, bezoek hen regelmatig in Amerika of Engeland en ben, als ze hier zijn, hun gids tussen Eindhoven en Arnhem, in de Ardennen of Normandië. Met enige regelmaat stellen deze bevrijders mij de vraag: “Jan, wat bindt jou aan de oorlog, je was toch nog niet zo oud”. Ik antwoord dan altijd met dezelfde vergelijking: “Als iemand drie honden heeft en met Nieuwjaar wordt vuurwerk afgestoken, dan zul je zien dat een van die honden gewoon door het huis loopt, een tweede blijft in de buurt van de baas en de derde zit heel bang onder de kast.

Op vrijdagochtend 22 september werd wachtpost 36 bij de Houtse Overweg in brand geschoten.(Foto: M.Coolen Senior. Archief: Cofoto)

Figuurlijk gezien was ik diegene die heel erg angstig onder de kast zat. En vanwege de strategische positie van Mierlo-Hout, mijn woonplaats, hebben we de hele oorlog door veel “vuurwerk” gehad. Aan de bijna voortdurende herrie van vliegtuigen, luchtafweergeschut en bombardementen — een regelrechte verschrikking voor mij — hebben jullie heel dapper een eind gemaakt en ik zal jullie daar altijd dankbaar voor blijven”.

Wij woonden toen in de Slegerstraat nr 16 (later is daar voetballer en voormalig Geseldonk-uitbater Hans Verbakel komen wonen). Ik had twee broers, onze Antoon, die van 1938 is, was één jaar ouder dan mijn tweelingbroer Henk en ik. We waren met drieën min of meer onafscheidelijk. Vanwege onze leeftijd, én er was nauwelijks verkeer op de weg, kwamen we vanuit de Slegerstraat vaak niet verder dan de spoorwegovergang aan de Hoofdstraat en richting Mierlo tot Slagerij Giebels en tot achter in de Slegerstraat, tot spoorwachtershuis 37, waar de de familie Coppens woonde. Tot de Hoofdstraat-spoorwegovergang, wachtpost 36, omdat daar Opa en Opoe Coolen in de schoenwinkel woonden en wij daar naar de zusterschool gingen, naast het huidige bejaardenhuis, en tot Giebels omdat daar familie van der Vleuten (van de latere wielrenner) woonde, die bevriend was met onze ouders. En we haalden vaak vliegerlatjes bij Janssen & Fritsen.

Strategisch

Mierlo-Hout lag erg strategisch. Het lag aan de grote weg Eindhoven-Venlo/Duitsland, aan de spoorweg naar Duitsland en bijna tegen het kanaal Maastricht – Den Bosch. En Mierlo-Hout lag precies in de aanvliegroute van de voortdurende bombardementen die, vanaf 1942, vanuit Engeland op het Duitse Rurhgebied plaatsvonden. Het vliegtuig-afweergeschut en de bombardementen betekenden, zeker voor mij, een enorme herrie en onbeschrijflijke angsten. De eerste zichtbare gevolgen van het oorlogsgeweld werden wij gewaar doordat de families Donkers en Schmiehusen tegenover ons kwamen wonen in het (nu nog bestaande) KJV-huis. Hun huizen, destijds schuin tegenover de huidige Modezaak Thij Deelen, werden, gelukkig zonder doden, weggebombardeerd. De jongens Joop, Rinie en Peter Donkers lieten ons vaak hun littekens van het bombardement zien. Dat is nog tot in de jaren vijftig een open plek geweest waar nog circusvoorstellingen werden gegeven (Circus Bever). En het huis van “de Witte Piet”, naast bakker Dirks op de Parallelweg, werd ook helemaal plat gebombardeerd. Ook het spoorwachtershuis nr 36, dat stond tussen café Spoorzicht en de spoorrails, werd een prooi van de bommen. Ook had bijna iedereen een schuilkelder in de buurt van hun huis. Zo hadden buurman familie Verhagen en wij een schuilkelder op de plek, waar later de houten bungalow van dokter van de Wouw is gebouwd (Foto: Boven), tussen het kerkhof en het KJV-huis. Er was zelfs een schuilkelder (van v. Eekeren) midden op het voetbalveld, dat toen nog in de Slegerstraat lag. Om de Duitse “radar” te verstoren, lag het dorp bezaaid met zilverpapiersnippers.

Het KJV-Huis (Katholieke Jonge Vrouwenvereniging)

Wat de precieze aanleiding is geweest heb ik nooit gevraagd, maar tenslotte zijn we geëvacueerd naar Kranenbroek. Misschien was langs de spoorlijn of heel Mierlo-Hout, toch een te gevaarlijke plek om te wonen. Kranenbroek was een van de gehuchten tussen Mierlo-Hout, Mierlo, Nuenen en Stiphout, zoals Diepenbroek, Berenbroek, Stepekolk, Brand, Het Broek, Schutsboom, Luchen, Heideschoor, Medevoort, Brandevoort en Vaarle. Ik zie ons hele gezin nog op twee gammele fietsen vertrekken. De hele huisraad zat in een kinderwagen die werd getrokken door onze Toon vanaf de fietsdrager. De jongen, 6 jaar, kon, in de bocht naar de overweg op het einde van de Slegerstraat, de wagen niet meer houden en het hele spul ging in de sloot. De ouderen uit Mierlo-Hout herinneren zich wellicht nog dat daar een huisje stond waar dood vee naar toe werd gebracht. Het gezin van boer Willem van der Leen nam ons op. Dat was niet ver van de boerderij van Dorus van Gennip en naast boer van den Boomen (zoon Hein is later kunstschilder en glazenier geworden). We mochten van boer van der Leen op het enorme paard zitten, keken bij het dorsen, gooiden met kippeneieren en aten emmers “knollekes”, die we met onze tanden “schoonschraapten”. Minstens een vliegtuig is daar neergeschoten; we hebben daar nu nog onderdelen van. En driftig begonnen wij al “vuurtje te verleggen”, iets wat langs de spoorkant in de Slegerstraat onze regelmatige bezigheid was, als de machinisten een schep vuur in de spoorsloot gooiden om die schoon te laten branden; er liep immers nog een stoomtrein tot in de jaren vijftig. Veel meer gezinnen uit Mierlo-Hout, maar ook uit Mierlo, Helmond en Stiphout zijn geëvacueerd en voornamelijk naar de gehuchten die boven zijn genoemd. Op het platteland, bij de boeren, was nog redelijk aan voedsel te komen.

Bevrijding
Hoe gek het ook klinkt, met de bevrijding woonden we weer terug in de Slegerstraat. De herrie van vliegtuigen en bommen, waar ik doodsangsten voor had, werden nu nog verstrekt door artillerievuur en tanks van de bevrijders, maar uiteraard ook van de Duitsers. De herrie en mijn schrik waren zo groot dat ik nu nog altijd moeite heb om vuurwerk te bezoeken. Natuurlijk waren wij te jong om de situatie te overzien. Later heb ik begrepen dat de bewoners van Mierlo-Hout, ja zelfs de geallieerde soldaten, nauwelijks een strategisch overzicht hadden. Overal in de straat lagen oorlogsspullen, vooral jerrycans, helmen, kogels, radioapparatuur en draden. De soldaten zagen er in onze ogen zo wie zo al erg bovenaards uit, maar vanaf het moment dat we met eigen ogen zagen dat ze zand lieten branden (met benzine), werden dat voor ons voor altijd helden, engelen en wonder- en weldoeners tegelijk. Als de soldaten maar even hun jeep alleen lieten, klommen wij erin en drukten met onze voetjes op de vloerstarter. Ooit mochten we stukjes meerijden of we gingen er (levensgevaarlijk) achteraan hangen, zonder dat de chauffeur dat wist. Of we mochten even op een tank. Ook waren we iets te jong om echt de bevrijding aan te voelen. Wel weet ik nog dat de Slegerstraat, waarschijnlijk net als alle andere straten, bijzonder uitgelaten was. Ons vader had de lange stoep naar de voordeur rood-wit-blauw geschilderd. Pas jaren later heb ik gehoord dat juist het gebied Mierlo, Mierlo-Hout, Stiphout en Helmond nadrukkelijk in de bevrijdingsstrijd is geweest, temeer daar het kanaal frontlijn werd en de bevrijders, zowel als de Duitsers, alle moeite deden om langs het kanaal, en speciaal bij de Veestraatbrug (toen nog de enig intacte brug) de baas wilden zijn.

Druk militair verkeer kruist de overweg aan de Hoofdstraat. (Foto: M.Coolen Senior, Archief Cofoto)

Na de bevrijding
Van direct na de bevrijding herinner ik me nog goed de enorme troepenverplaatsingen. Jeeps, GMC’s, tanks, Dodges etc reden in lange colonnes, ooit wel meer dan 400, overdag en ’s nachts. Het waren soms zoveel voertuigen dat mijn broer vroeg: “Moeder, rijen ze rond de woningbouw?” (rond de woningbouw was het rondje Enckevoirtstraat, Elsenstraat, Hoofdstraat, Parallelweg). Er was ook een schrijnend gebrek aan huizen. In vijf oorlogsjaren was het trouwen, zij het iets beperkt, gewoon doorgegaan en er was niet gebouwd en flink gebombardeerd. Je had enorm veel inhuizing. Alles werd bewoonbaar gemaakt. Ik herinner me dat zelfs het elektriciteitshuisje (waar nu de ingang is van de Odulphusschool), werd omgebouwd tot woonhuis.
Foto links: Druk militair verkeer kruist de overweg aan de Hoofdstraat. (Foto: M.Coolen Senior, Archief Cofoto)
Ook kregen we op school, wij bij de zustersschool, bijvoeding. We kregen dan achter in de tuin (de tuin van het huidige bejaardenhuis) melk, appels en soms sinaasappels; daar heb ik voor het eerst van mijn leven sinaasappels gezien, omdat die gedurende de oorlog niet of nauwelijks aanwezig waren. Soms kon je op een bepaald tijdstip in de maand, goedkoop vlees halen (dat had een bepaalde naam, die ik kwijt ben; wie weet dat nog?). Urenlang heb ik bij Paardenslager Toontje Claassen, naast café Manders, tegenover de huidige benzinepomp van Verbakel, in de rij gestaan. Daar heb ik geleerd me niet zomaar weg te laten duwen; elk nadeel heeft zijn voordeel! (Slagerij Claassen, werd later bloemisterij Filipini en weer later frietzaak “De Smulbig” o.a met eigenaar Jan vd. Westerlo) Over bonnen gesproken. Hele zondagen heb ik bij van Bladel (groenten en levensmiddelen; toen naast de huidige Houtse Bazar) bonnen geplakt die de mensen ingeleverd hadden.  Natuurlijk werd er veel en veel meer gedaan, maar ik geef maar wat ik nog weet…

Back To Top