skip to Main Content
Menu

Ik ben Wim Dekkers, 69 jaar en geboren in een woonhuis aan de Burgemeester Krollaan 88. Op dit moment woon ik op nummer 90. Dit was destijds een oudere leegstaande boerderij gebouwd in 1907 door de familie Klaasen en gekocht rond 1930 door mijn familie van vaders kant die uit Eindhoven (Tongeren) kwam.

Wim Dekkers staat hier onder de geopende deuren van het hooiluik waar onderduiker Arie Schrama wist te ontsnappen aan de Sicherheitspolizei

Met veel belangstelling heb ik de publicaties over de tweede wereldoorlog in dit blad gelezen. Enkele inwoners uit deze regio hebben inmiddels hierin hun herinneringen weergegeven. Eén gegeven komt in deze artikelen heel duidelijk naar voren: Het was een zeer enerverende, hectische en gevaarlijke tijd. Er vonden gebeurtenissen plaats die, in ons toen nog jonge leven, sporen achterlieten en die diep in ons geheugen werden gegrift.
Na enkele gesprekken met de redactie van De Loop, ben ik aan de slag gegaan om mijn herinneringen over die tijd aan het papier toe te vertrouwen. 
Terwijl deze oorlog nu 60 jaar achter ons ligt, hebben we een tijd gekend van voorspoed en vrede. Gelukkig maar, want voor velen was de oorlog een verschrikkelijke tijd, immers er dreigde altijd gevaar voor eigen have en goed, zelfs voor eigen leven.

Onderduiker
Op een gegeven moment, middenin de oorlogsjaren was er opeens een vreemde gast in ons huis. Deze jongen van 18 jaar sprak een ander dialect. Zijn naam was Arie Schrama afkomstig uit Lisse, Noord Holland, hij was op de vlucht voor de arbeidsinzet in Duitsland. De bezetter verplichtte vele jonge Nederlanders in Duitsland  te gaan werken. Met al gevaren van dien en het risico op een zeer slechte behandeling. Op een avond kwam hij bij ons binnen, tezamen met het hoofd van het zuid Nederlandse verzet in Eindhoven. Deze vroeg aan mijn ouders of hij enkele dagen bij ons mocht verblijven totdat een nieuw onderduikadres was gevonden. Na een paar dagen was er nog geen nieuw adres gevonden en dreigde hij op straat te komen staan. Mijn moeder zei toen: “Dit kan niet, hij blijft maar bij ons”. De hele rest van de oorlog is hij bij ons gebleven. Als tegenprestatie werkte hij mee op de boerderij. Dat dit gevaarlijk was voor ons gezin was duidelijk, wat bleek uit het volgende voorval: Arie Schrama was aan het werk in de tuin aan de voorkant van ons huis.

Een Duitse opsporingseenheid vroeg hem naar zijn persoonsbewijs. Iedere Nederlander was verplicht dit bij zich te dragen. Dergelijke papieren had Arie echter niet in bezit, maar met een ijzige kalmte bekende hij deze niet bij zich te hebben en bood tegelijk aan om deze te gaan halen op zijn slaapkamer. Nu was er op de bovenverdieping van ons huis een verbindingsdeur naar de hooizolder. Arie, vluchtte via de deur, kroop over het opgeslagen hooi en opende razendsnel het hooiluik aan de andere kant van de zolder. Met een zeer gewaagde sprong vanaf een hoogte van wel vier meter kwam hij terecht op de begane grond, waarna hij over de akkers naar het nabijgelegen Coovelsbos vluchtte. Toen de Duitsers merkten dat de vogel gevlogen was en hem zagen wegrennen werd het vuur geopend, maar Arie wist te ontkomen. Weggedoken in het dichtbegroeide bos hoorde hij enige tijd later het geluid van een naderende auto. Een voertuig reed inderdaad over het zandpad richting de Boerderij van de familie Relou en in een flits realiseerde Arie Schrama dat de Duitse eenheid de jacht op hem geopend hadden. Zonder zich te bedenken dook hij daarop in een diepe sloot en hield alleen zijn hoofd boven het koude water. Doodstil bleef hij daar zitten terwijl hij gespannen luisterde naar elk geluid. Pas een uur later hoorde hij de auto wegrijden en kroop hij aarzelend en verkleumd op de kant. Later bleek de bestuurder van de auto geen Duitser te zijn maar De welbekende dokter Kerssenmakers die een visite bracht aan de familie Relou.

De weken die volgden na dit voorval, hield Arie zich voorzichtig schuil in een kippenhok wat verder van onze boerderij afstond. De vijand had nu wel door dat er op onze boerderij meer aan de hand was wat niet door de beugel ging. En omdat gevreesd werd voor een nieuwe inval besloot mijn vader ook enkele weken onder te duiken bij familie in Sint Oedenrode. In dezelfde periode werd ook tot twee keer toe een onverzegelde maalmolen door de controledienst van de Duitsers in beslag was genomen. Ongecontroleerd malen van graan was verboden. Dit malen gebeurde meestal op zondag morgen, dan moest ik spelend op straat, ( de Burgmeester Krollaan heette toen nog de Boterstraat en was onverhard), mijn vader waarschuwen als er mensen in aantocht waren met “lange jassen”. Van dat meel werd brood gebakken waarvan er altijd enkele broden werden opgehaald door enkele Houtse families. Na de oorlog is Arie nog verschillende jaren bij ons op de boerderij als knecht werkzaam geweest. Enkele jaren geleden is hij gestorven. Met deze familie, woonachtig in Lisse hebben wij nog lang de beste contacten onderhouden.

“God spaarde ons ongedacht, door deze zwakke brug, Haar zwakheid was haar kracht, hier moest de vijand terug”(zie foto)

Duitse tanks
Enkele dagen voor de bevrijding reden een groot aantal Duitse Pantertanks langs het spoor vanaf het woonhuis van DuPré (Woning nog te vinden op de Noord Parallelweg bij het huidige Houtse station) richting Nuenen-Eindhoven. Deze werden gevolgd door een Panzer divisie, te voet, 2 á 3000 soldaten. Mijn vader en enkele buurtgenoten zagen vanaf de Krollaan (toen Boterstraat) deze tanks. Ik herinner me nog de discussie waarbij de één opgetogen beweerde “maar dát zijn de Engelsen!”. Terwijl anderen zeiden: “Nee, kijk nou eens goed het zijn Duitse tanks. Een van de buren werd aangemoedigd om richting tanks te lopen, om het beter te kunnen zien. Deze buurman hield vol dat het Engelsen waren. Nadat hij op een 50-tal meters was genaderd draaide de geschutskoepel met de loop dreigend zijn kant op. De reactie was duidelijk…wegwezen! Tegen de avond reed een tankdivisie een tiental meters achteruit, over het weiland en verscholen zich uit het zicht van de vliegtuigen onder de bomen van het Coovels bos in. De situatie was immers zeer dreigend. Eindhoven was reeds bevrijd en voor een luchtaanval op zo’n grote Duitse troepenconcentratie werd gevreesd. Mijn vader sprak een Duitse officier die blafte dat zij weldra een tegenval zouden openen richting de geallieerden in en om Eindhoven. Het gesprek dreigde compleet te escaleren toen mijn vader opmerkte “dat die aanval tevergeefs zou zijn” Misschien heeft die officier later nog aan die opmerking van mijn vader teruggedacht toen de tankdivisie onderweg van Nederwetten naar Woensel, Eindhoven in de problemen kwam bij Soeterbeek. Tegen de leuning van de Willem Hikspoorbrug over de Dommel hangt nog altijd een bord met een opschrift dat de vijand daar niet verder kon.

Dezelfde dag op de namiddag vond mijn moeder de situatie rond ons huis zo dreigend dat ze besloot om samen met mijn broer en twee zussen richting Mierlo te vertrekken. Daar woonde de familie v.d. Linden in het gehucht genaamd Luchen. Een van hun dochters was bij ons werkzaam. De familie had een eigen schuilkelder gebouwd, wij brachten daar de hele nacht door toen de aanval met zwaar granaatvuur begon. Zoals Jan Coolen al beschreef in zijn verhaal, is dat hetgeen, wat je als kind het beste is bijgebleven. Zware knallen, angstaanjagend gehuil en de daaropvolgende explosies… Gelukkig was dit laatste ten opzichte van ons op enige afstand. Pas tegen de ochtend werd het stil en was Mierlo bevrijd tot aan het Eindhovens kanaal en Mierlo-Hout volgde kort daarna.

Wim Dekkers in een van de bomkraters te vinden in het Coovelsbos.

Bommen in het Coovels bos
Enkele weken na de bevrijding, kwam ons erf wat vrij groot was, propvol te staan met Engelse voertuigen. Een veertigtal wagens met ook een keukenwagen. Deze trok sterk mijn aandacht omdat deze soldaten vrij gul waren in het geven van chocolade, sinasappelen en bananen aan ons. Dit waren zaken die wij tot dan toe niet kenden. In de omgeving stonden meer wagens van Britse divisies die zoals ik later vernam, utrusten na ondersteuning van het gevecht rond Breda. Op onze boerderij had de divisie ook een viertal luchtdoelgeschut opgesteld. Toen er op een avond Duitse jachtbommenwerpers werden gesignaleerd ontstond er opwinding onder de soldaten en even later werd het vuur geopend. Ons hele huis dreunde en wij werden de kelder ingestuurd. ’s Morgens kon men zien wat er die nacht gebeurd was. Op vele plaatsen lagen hulzen van dat geschut. Die waren ongeveer 50 cm lang en 8 tot 9 cm dik.Bij onze schuur waren de pannen, door de luchtdruk, geheel verschoven. Een van de stukken geschut vuurde rakelings over dat dak!Samen met mijn broer, die een jaar jonger was, verzamelde ik zoveel mogelijk hulzen. Een aantal daarvan hebben wij tweeën enkele maanden later met een bolderkar over de Huufkes (voormalig kerkpad van de Krollaan richting Slegersstraat) naar de pastorie vervoerd. Deze hulzen van geel koper, heb ik nog jaren gezien als bloemenvaas op het altaar in de kerk.
De dag na deze oorlogshandeling vonden wij in het Coovels bos (ook wel genoemd “Kogels” bos) drie bomkraters. De Duitse vliegtuigen hadden hun bommen reeds op grote hoogte afgeworpen. Deze onnauwkeurigheid was te danken aan de zware stelling van het afweergeschut rond onze boerderij. Zo troffen deze bommen dus gelukkig geen doel…Met deze herinneringen heb ik getracht een verhaal te schrijven over de 2e W.O. Voor talloze een vervelende tijd. Laat ons goed beseffen dat wij nu in vrede leven!

Back To Top